Artikelen over Wim Sonneveld

 


  1. De groene Amsterdammer
  2. Artikel van Henk van de Meijden
  3. Het Peugeootje van Margootje
  4. Stukje interview uit Mies en scène


De Groene Amsterdammer, kerstnummer 1993

Na een zwaar, veeleisend nummer deed hij de veters van zijn schoenen los. En hij zei tegen het publiek dat die ook rustig allemaal de veters van hun schoenen los mochten doen. 'Nu even de ogen luiken.' En daarna snierde hij (tussen de wimpers van zijn geloken ogen de zaal in kijkend): 'Dames, luikt U de ogen ook even. Kunnen jullie vanavond thuis vertellen: we hebben nog met Sonneveld geslapen.' Het begon huiselijk, bijna intiem. Daarna werd het vals, bijna ordinair. Híj bleef op afstand van zijn publiek (dat hij wel eens een 'vraatzuchtig monster' placht te noemen). Hij bleef onafhankelijk, superieur. Portret van Wim Sonneveld. Als conferencier.

Aan aanstaande cabaretiers heb ik eens les proberen te geven over de geschiedenis van het naoorlogse toneel in Nederland. Na een paar uurtjes hadden we in de gaten dat de onderneming een verspilling was van hún tijd en van míjn energie. Dus spraken we over wat straks hun vak zou worden, toen (en nu nóg) hardnekkig 'kleinkunst' genoemd. De studenten visten op hun beurt naar mijn helden in die lichtgewaande muse. Ik antwoordde zonder aarzelen er eigenlijk maar één te hebben: Wim Sonneveld. Hun hoongelach werd begeleid door rap heen en weer gekaatste kwalificaties als 'truttig', 'uit de tijd', 'ouderwets' en 'oubollig'. Ik mompelde - plaatsvervangend beschaamd, en eigenlijk woédend - dat ik me in de omschrijving 'oubollig' nog het meest kon vinden ('dwaas & zonderling' zegt Van Dale, en dát was Sonneveld allebei in hoge mate). Daarna haalde ik een videotape uit mijn mediatheek. Op de hoge toon van een gesjeesde hoogleraar 'kleinkunst', betoogde ik bestraffend dat déze (en andere) Sonneveld-scènes wat mij betreft tot verplichte collegestof voor alle aanstormende entertainers zou moeten worden verklaard. Om vervolgens het laatste woord te laten aan het beeldscherm, waarop de slotscène werd vertoond uit Sonneveld's tweede one-man show (die met Ina van Faassen uit 1967). Het schonk me grote voldoening dat na afloop van deze sketch enkele van de kleinkunstenaars-in-de-dop ongeveer per stoffer & blik bij elkaar konden worden geveegd. 'Waar is de gulle lach op heden gebleven, meneer Sonneberg, dat vraag ik U af?' Wim Sonneveld was op dat moment een kleine vijftien jaar geleden in Buitenveldert ten grave gedragen. Hij was toen - en ís nog altijd - wat men 'een legende' pleegt te noemen. Vooral door de talloze liedjes, op platen en CD's geconserveerd, door generaties slagersjongens en krantenbezorgers geneuried, gefloten en gezongen. De conferences zijn bij jongere generaties een stuk minder beklijfd. En om de absolute topklasse van Sonnevelds conference-'techniek' is het me hier te doen.

Mijn eerste kennismaking met Wim Sonneveld als conferencier was - zoals voor de meesten uit mijn generatie, geboren direct na de oorlog - Willem Parel, zoon en kleinzoon van een orgeldraaier en tevens voorzitter van het En-pé-gé, het Nederlands Parel Genootschap. Het was beslist het leukste dat de VARAradio begin jaren vijftig te bieden had. Parel sprak meeslepend over 'het orgeldraaien in het algemeen en de psychologie van de centenbak in het bijzonder'. Uit de teksten (ik meen van Eli Asser) over de 'S. P. van de O, oftewel de Sexuele Problemen van de Orgeldraaier', walmde een hoog gehalte jaren vijftig tuttigheid naar boven. Men bleef er niettemin op talloze zaterdagavonden voor thuis. Het Nederlandse taalgebruik werd middels de voorzitter van het En-pé-gé tijdelijk maar beslissend verrijkt met uitdrukkingen als 'waterverf' (lees: waardeloos) en: 'niet op reagere, Lena'. Toen Willem Parel het voor gezien hield, waren er demonstraties van orgeldraaiers. Daarna verloor ik Sonneveld enige tijd uit het oog. Zijn kleine cabaretprogramma's in het Leidse Pleintheater en in 'zijn' Nieuwe de la Mar (met Conny Stuart, Lia Dorana en Hetty Blok, op teksten van Hella Haasse, Annie M.G. Schmidt, Sonneveld zelf en zijn vriend Hubert Janssen), heb ik nooit gezien. Volgens Ischa Meijer is dat een groot gemis. Hij vond die intieme programma's behoren tot het mooiste dat Sonneveld ooit maakte. 'In die stelling zit ook een beetje egoïsme van de toeschouwer', schreef Meijer op 16 maart 1974 in zijn In Memoriam voor Sonneveld in de Haagse Post. 'Die ietwat elitaire sfeer van wat men wel het literaire cabaret pleegt te noemen, die directe betrokkenheid over een luttel aantal meters met de man op het toneel, die grote mate van exclusiviteit waarin het woord tot het gehoor gericht wordt; dat alles vormde de ideale ambiance om een kunstenaar als Sonneveld optimaal te proeven en te beoordelen.'

Na 702 voorstellingen van de musical My Fair Lady (vanaf 1960, zijn eigen cabaretgezelschap was in 1959 failliet gegaan), waarin Sonneveld als Dr. Higgins drie Eliza Doolittle's 'versleet' (Margriet de Groot, Dorien Mijksenaar en Jasperina de Jong), ging hij solo. Wat Sonneveld in zijn drie grote one-man-shows het liefste deed was zingen. Het zal hem in de artiestenhemel genoegen doen dat hij als romantisch, melancholiek chansonnier voor alle generaties (tot jaren na zijn dood) is blijven doorleven. Willem Nijholt, die samen met Corrie van Gorp excelleerde in Sonnevelds laatste grote show, vertelde ooit in een televisieprogramma dat het de entertainer irriteerde wanneer-ie aan zijn artiesten-water voelde dat het publiek na twee mooie liedjes als het ware ongeduldig zat te wachten op de volgende 'gulle lach'. 'Maar ja', stelde Sonneveld nuchter vast, 'ik ben immers zelf begonnen die kroketten te verkopen.' Daarmee doelend op de conference uit zijn eerste one-man show waarmee hij lange tijd ongeveer werd vereenzelvigd: Kroketten, op een tekst van Simon Carmiggelt.

Wanneer Sonneveld aan Carmiggelt een 'nummer' vroeg, leverde deze meestal een van zijn Paroolcursiefjes, zijn Kronkels. Altijd goed voor memorabele sketches. In de tweede one-man show speelde Sonneveld bijvoorbeeld De Jongens, waarin een vader herinneringen ophaalde aan alle vrijers van zijn pas getrouwde dochter ('Ik heb wat voedsel verstrekt aan die knapen!'). Kroketten was een ander geweldig nummer op tekst van Simon Carmiggelt. Tijdens een lezingentoernee was de schrijver gestoten op een zaalverhuurder die de lucide theorie huldigde, dat er een relatie bestond tussen wat er op het podium te zien was en de hoeveelheid kroketten en spritsen die in de pauze werden verkocht. Carmiggelt had het stukje naar eigen zeggen vrijwel letterlijk uit de mond van de zaalverhuurder opgetekend. En Sonneveld zag er niks in. Carmiggelt zei (in een televisie-documentaire over Sonneveld): 'Nu kun je achter een schrijftafel inderdaad niet bedenken wat op het toneel leuk is, ik tenminste niet, en wie dat wel kan moet een hele goeie zijn. Maar over deze tekst had ik bij hoge uitzondering een beetje zekerheid. Want ik had hem zelf een aantal keren in zalen gedaan, voor publiek. En ik merkte dat de mensen op bepaalde momenten telkens weer lachten. Die "lachen" had ik in de marge van de tekst aangestreept. En ik zei tegen Sonneveld: bij mij lachten ze dáár. Toen is hij het nummer gaan uitproberen. En hij heeft er groot succes mee gehad. Voor mij was het een geweldige ervaring om na vijftig of honderd voorstellingen de tekst van Wim Sonneveld terug te horen. Dan was-ie volledig veranderd. Vooral door het samenspel met het publiek, dat eigenlijk ook aan een tekst "werkt". In Sonneveld's handen was Kroketten een sterk komisch nummer geworden, een eerbiedwaardig stuk vakmanschap.' En inderdaad: Kroketten (vreemd genoeg niet opgenomen op de twee commerciële videocassettes die van Sonneveld's shows in de handel zijn gebracht) ís een eerbiedwaardig stuk vakmanschap. De koele, lichtelijk hautaine entertainer Sonneveld is in dit nummer verwikkeld in een brilante dialoog met een ordinaire, uitgezakt sloffende horecaman, die last heeft van opvliegers, O-benen en een spraakgebrek ('De s wil ook al niet meer, want ik ben de hoektanden kwijt'). 'Daar gáán me krekette!' werd in de jaren zestig een minstens evenzo populaire one-liner als 'niet op reagere, Lena' in de jaren vijftig was geweest.
Je had in die tijd 'de grote drie'. Wim Kan was de strenge vader die ministers tijdens tumultueuze oudejaarsconferences duchtig de oren waste. Toon Hermans kreeg een zaal aan zijn voeten door slechts de zitting van een stoel te tonen, of via de scherpe imitatie van een perzik etende diplomaat. Wim Sonneveld bouwde tijdens zijn shows in het theater een tijdelijk, intiem en hilarisch huis. Voor iedereen. Hij was romantisch én gek, sentimenteel én satirisch. Sonneveld: 'Consequent lyrisch durfde ik niet te zijn, ik gaf er opzettelijk een twist aan, waardoor het iets om te lachen werd. Ik ben zelf half lyrische zanger, half slapstick performer, amuseur. Ik was bang voor mijn lyrische kant en koos uiteindelijk voor het komische.' Hij introduceerde de geniale mix van het lyrische én het komische: het 'gespeelde lied'. Dat genre kende weliswaar een lange geschiedenis in het cabaret, maar door Sonnevelds aanpak kreeg het 'gespeelde lied' een totaal nieuwe schwung. In zijn eerste one-man show was Tearoom Tango zo'n gespeeld lied (tekst: Michel van der Plas), een van de mooiste nummers die Sonneveld ooit heeft gebracht.
De woorden 'belazerd' en 'bedonderd' - mits enigszins bekakt uitgesproken - klonken na het uitbrengen van dit nummer nooit meer zoals daarvoor. Voor dezelfde show schreef Annie Schmidt het lied Water bij de wijn, over een man die zichzélf in een huwelijk belazert én bedondert. Een thema dat door Sonneveld in zijn laatste show briljant werd geparafraseerd, in het lied dat geen lied meer was maar een volleerd nummer, Lieveling (geschreven door zijn tweede levenspartner Friso Wiegersma). In de korte introductie toonde Sonneveld de partners in dit lied: de zwijgende vrouw met strakke lippen ('spaarpot') en haar klagende, intens treurig ogende echtgenoot ('sufgeluld'). Het lied werd vervolgens uitgevoerd met de ideale combinatie waar Sonneveld zo vreselijk goed in was: poëtisch chansonnier, trefzekere karakterspeler, ordinaire moppentapper - de eerste metde elegante draai naar het publiek (en profil), de tweede met die (letterlijk) schitterende, wat heet: bliksemende ogen, de derde met de effectieve, excentrieke mimiek van de raskomiek.

'Maar dan zijn er van die nachten/ Dat die bittere gedachten/
Al die weerzin, dat verwijt
Mij zo vreselijk berouwen/ En dan ben ik niet te houwen
Want dan breekt mijn hart van spijt/ Bitt're spijt ...
Spijt dat ik met jou getrouwd ben/ Want ik dacht: dat zal wel lukken
Nou ik weet het, je kan beter/ De Vierdaagse doen op krukken! ...
Spijt dat ik niet heb geluisterd/ Naar mijn broers die toen al zeien
Man, je kan veel beter trouwen/ Met een vrachtauto vol keíen!...'

De puntjes waren consequent ingelast als pauzes voor de lach. Die lach kwam altijd. Consequent!
Sonneveld was in dit soort nummers - naar eigen zeggen - 'zo Hollands als het weer'. Maar hij stond er ook altijd bóven, boven de banaliteit van het weer. Ik denk dat ik daarom zo dol op hem was. Zijn eerste vriend, Hubert Janssen, zei eens over hem, dat hij 'het publiek raakte in de tot dan toe onbezochte plekken van de ziel'. Dat is bijzonder deftig gesproken, maar wel heel raak. Cabarethistoricus Jacques Klöters voegde daar in zijn standaardwerk Honderd jaar amusement in Nederland aan toe: 'Hij straalde onafhankelijkheid uit. Ook in zijn houding tot het publiek, dat hij - veel meer dan Wim Kan en Toon Hermans - op afstand hield. Hij durfde valse opmerkingen te maken en ordinair te doen.'

Zo onthulde Sonneveld - opnieuw op een tekst van Simon Carmiggelt - dat hij in de krant het eerst naar de overlijdensadvertenties keek. 'Doodsberichten' heetten die toen nog in de jaren zestig. 'Ja, je wilt weten wie er óver is, hè?' Dan nam hij het publiek als het ware eventjes in vertrouwen. En in dat vertrouwen signaleerde hij wat er steeds ónder die advertenties stond: 'Wij berusten'. Dat herhaalde Sonneveld dan eindeloos: 'Wij berusten, wij berusten, wij berusten'. Pauze. Stilte. Herkenning. En dán kwam die uithaal, in onvervalst Jordanees: 'Ja, stel je voor dat je eronder gaat zetten: We laten het er niet bij zitten!'

'En het publiek? Ach U weet hoe publiek kan zijn,' zong Sonneveld in zijn eerste one-man show. Meteen klaar om iemand op te vreten, meteen klaar om iemand te omarmen, bedoelde (en zong) hij. Sonneveld wilde niet aardig gevonden worden, hij wilde goéd gevonden worden. Intens innemend was hij, als-ie zijn publiek for the time being óók aardig vond. Sonneveld háátte trage zalen. Toen hij in Nijmegen (tijdens een try-out) zo'n trage zaal trof, zei hij na afloop tegen een verslaggever: 'Ja, de burgemeester zat op de eerste rij, dus wat wil je'. Maar als het publiek met hem mee ging, sloot hij het voluit in zijn armen. In de eerste one-man show stond een Louis Davids-achtig liedje op het programma, Ome Thijs, die een prijs in de voetbalpool had gewonnen maar zijn formulier was vergeten in te leveren. In dat nummer dirigeerde hij bij het refrein de zaal als koor. Ik zal nooit het moment vergeten waarop Sonneveld springend en in zijn handen klappend tegen zijn musici riep: 'Er zitten warme alten in de zaal!' Waarna hij die 'warme alten' schaamteloos nog een beetje opwarmde door samen met ze te repeteren ('Let op de borst-stem, dames!').

De mooiste dialoog met zijn publiek zat in de middelste show. Na weer een uitputtend nummer en de daarop volgende verzuchting 'wat een vak, hè!', ging Sonneveld rustig zitten en openbaarde (ik citeer uit het hoofd): 'Ik zat vanavond in de kleedkamer, ik keek in de spiegel, en ik zei: Sonneveld, moet je er niet eens mee ophouden.' (Pauze) 'Zei ik tegen mezelf'. (Pauze) 'In de spiegel.' (Pauze) 'Tegen mezelf.' (Pauze) 'In de kleedkamer.' (Lange pauze. Daarna bijna schreeuwend tegen de zaal.) 'Wel een beetje hárteloos publiek, vanavond! Gisteren gingen ze op de stoelen staan en riepen: Nee Wim! Niet doen, Wim! Blijf!' En dan hád-ie ons waar hij ons hebben wilde: op de stoelen. Nee, Wim! Niet doen, Wim! Blijf!
Hij bleef!

De politiek (hét favoriete onderwerp voor Wim Kan) was geen stof voor hem, net zo min als Toon Hermans' adoratie voor de bloemen en de bijen (waar Sonneveld geen goed woord voor over had). Toch heeft Wim Sonneveld me één keer politiek verrast. Ik zat in het Medisch Comité Nederland-Vietnam, dat in de jaren zestig en zeventig geld vergaarde voor de medische noden in zowel Noord- als Zuid-Vietnam. Er werden benefiet-bijeenkomsten georganiseerd. Na 'Schrijvers voor Vietnam' en 'Musici voor Vietnam' (in Frascati), planden we een nacht 'Cabaretiers voor Vietnam' in Carré. Met een paar comité-leden en mede-iniatiefneemster Hetty ('Ja Zuster, Nee Zuster') Blok zaten we ergens in het najaar van 1970 in de werkkamer van Jaap van der Merwe, die de nacht met Hetty zou presenteren. Wie moesten we het eerst bellen? Van der Merwe was zeer beslist: Wim Sonneveld. Wij riepen in koor: die doet nóóit mee! Maar Jaap van der Merwe had een betere antenne voor de reactie van zijn roemruchte collega: Sonneveld zei inderdaad meteen ja, en riep ook onmiddellijk: zeg maar tegen alle anderen die je belt dat Sonneveld ook meedoet. Hij had maar één voorwaarde: zijn bijdrage mocht niet in de beoogde VPRO- televisiereportage. Hij zat op dat moment nog midden in zijn 'uitprobeervoorstellingen' van de nieuwe one-man show, en daar kon-ie geen camera-pottenkijkers bij gebruiken. In die gedenkwaardige nacht in Carré deed hij 'De stalmeester', de licht beschonken en Wassenaars sprekende dienaar des konings, die herinneringen ophaalt aan het defilé te Soestdijk, en aan de kerstviering op het paleis, als de 'keunigin' zich zo eenvoudig mengt tussen hem en het gewone volk, sprekend over koetjes en kalfjes, 'en natuurlijk ook over de os en de ezel'.

In zijn mooiste conference werd Sonneveld dronken. Het was het slot van zijn tweede one-man show (1967). Hij had daarin een prachtige conversatie met Ina van Faassen (over kunstmatige inseminatie - 'da's iets met koeien'), hij zong er zijn meest onvergankelijke lied (Het dorp), en het was de enige show zónder Frater Venantius. Aan het slot van die show trok Sonneveld een tafeltje het podium op en begon te zuipen ('sherry, denkt U - het ís kouwe thee'). Daarna tapte hij een reeks (voor die tijd) schuine moppen. Over 'Antwerpse Alie' bijvoorbeeld. Een vrouw met forse borsten. 'Een rijke natuur', zoals de Fransen zeggen. ('De Fransen hebben de aardigste woorden voor de gekste dingen. Hier in Nederland zeggen we dan direct weer: boezem. Of gemoed. Ik heb eens een boer horen zeggen: Mijn vrouw heb een flinke bos hout voor de deur.') Sonneveld waarschuwde zijn publiek regelmatig: 'Het wordt schunnig hoor, dus je kan er nog uit'. Alie was een van de eersten na de oorlog die een gehoorapparaat had. In een broche. 'En die broche zat bij Alie op het snijpunt van haar rijke natuur.' (Hier gaven de musici twee welgemikte klappen op hun slaginstrumenten). En dan Sonneveld weer: 'En daar moest je dan in práten!' Dan hield hij het zelf niet meer van het lachen. 'Zeg, het wordt verdomd schunnig hoor, dus je kan er nog uit!' Donderend gelach. 'Vanuit die broche liepen twee dunne leidinkjes via Alie's rijke natuur' ... 'Er liepen hier twee dunne, dúnne leidinkjes' ... 'O, er was wel plaats voor een píjp-léi-díng!' ...
De Groene zou eigenlijk bij dit kerstnummer een geluidscassette moeten aanleveren. Zodat U kan horen hoe scherp en hoe zuiver Sonnevelds contact met het publiek op dat soort momenten was. Midden in deze conference riep hij - quasi beschonken - de zaal toe: 'Kennen jullie dat krankzinnige verhaal van die dronken vent die een postkantoor binnenloopt. Hij zegt tegen de man achter het loket: Geef mij een postzegel van een kwartje. En neem er zelf ook een!' Of: 'Willen jullie nou eens echt lachen!? Als je echt wil lachen moet je mekaar allemaal een hand geven. Dan stopt die meneer in de hoek zijn twee vingers in het stopcontact.'
Sommige mensen hebben in dergelijke weergaloos uitgevoerde conferences - ik herhaal het nog maar eens: verplicht studiemateriaalvoor aankomende 'kleinkunstenaars' - een vorm van 'Publikumsbeschimpfung' gezien, een verachting van Sonneveld voor zijn publiek. Het moet eerder strategie zijn geweest. Sonneveld in een interview, afgegeven vlak voor de première van zijn laatste show: 'Soms denk ik op het toneel: wat sta je nou toch lollig te doen - als ik ze zo hoor lachen. En dan weet ik: ik bén niet leuk, maar zij vinden het leuk. In het nieuwe nummer met Frater Venantius komt een zin voor die helemaal nièts betekent. Venantius zegt dat het weliswaar in de Bijbel geschreven staat dat het beter is om te trouwen dan te branden, maar, zegt hij dan, 'ik heb liever een goeie fik hier' (klap op zijn borst) 'dan een kouwe douche daar' (tik op zijn achterwerk). Nou ja, dan breken ze de tent af van het lachen. Terwijl het je reinste onzin is. Maar dan zit zo'n zin aan de top van een escalatie van opmerkingen ie wél iets betekenen, en waar steeds harder op gelachen wordt, en dan kom je op een gegeven moment op een punt waar het er eventjes niet meer toe doet wat je zegt, maar gebruld wordt er!'

Ischa Meijer hield niet zo van dat gebrul in de grote zalen. In zijn herinneringen aan Wim Sonneveld (opgetekend in de week na diens dood, maart 1974), schrijft hij openhartig waaróm niet: 'Ik wilde die man eigenlijk voor-mezelf-alleen hebben; wat hadden al die mensen in die gigantische zalen ermee te maken! Met andere woorden: het was niet Sonneveld maar ik die De Grote Massa minachtte. Ik verkeerde zelf in die belachelijke veronderstelling dat Het Goede alleen maar geschikt is voor een bepaalde minderheid. (...) Sonneveld had smaak en hij straalde dat lijfelijk uit, zonder schaamte - hij moet de erotiek van het theater uitstekend begrepen hebben.' Zo was het maar net! De kruidenier (die Sonneveld's vader was), en Calvijn (die Sonneveld's schrikbeeld was), konden hem op den duur niet meer deren. Hij was zo Hollands als het weer. Zijn superieure uitstraling steeg daar ver bovenuit.

Loek Zonneveld

 


Hoe ik Wim Sonneveld en Toon Hermans weer bij elkaar bracht

door Henk van der Meyden

AMSTERDAM - Met nog drie Privé Pagina's neem ik deze week afscheid van u. Dat doe ik met enige verhalen die ik nooit vergeten zal. Gebeurtenissen die grote indruk op mij maakten en die soms een bijzonder tijdsbeeld tonen. Vandaag het verhaal achter een van de meest unieke foto's die wij publiceerden in die 44 jaar. Een foto die niet zomaar vanzelf tot stand kwam, maar waar tientallen telefoontjes aan voorafgingen. Het was de exclusieve hereniging van WIM SONNEVELD, TOON HERMANS en WIM KAN.

"'Haal het doek maar op' zong WIM SONNEVELD in zijn laatste show in CARRÉ. Ik zie hem weer voor me. Een slanke, elegante man, vrolijk dansend in gekleurd licht en op blije muziek. In een goed gesneden pak met een tinteling in de blauwe ogen van verheugenis", aldus Toon Hermans, "om het werk dat hij mag doen. Ik hoor de stem van een persoonlijk timbre, dat zich soepel buigt in sterk gezongen zinnen. Dan eens teder en klein, dan weer droef, stil mijmerend. Ik zie een dolle fratsenmaker, die zich vermomt en clown speelt en de dwaas."

Het is een beeld dat me altijd bij zal blijven, ook nu het doek zakt voor mijn journalistieke carrière en ik nog drie dagen wil schrijven over enige onvergetelijke en emotionele momenten.

Deze korte serie open ik graag met een van de meeste bijzondere foto's die ik de afgelopen tientallen jaren op deze pagina afdrukte.

Tijdsbeeld

Het is meer dan een foto van 'de grote drie' samen: TOON, WIM KAN EN WIM SONNEVELD. Het is een tijdsbeeld geworden, een beeld waar je met weemoed naar kijkt, want daar zijn die mannen met zo'n stijl, persoonlijkheid, werkdrift, discipline en creativiteit, die elk publiek wisten te bereiken en veroveren.

Natuurlijk, heb je nu HERMAN VAN VEEN, KAREL DE ROOY en PETER DE JONG (Mini en Maxi), PAUL VAN VLIET, al treedt die alleen nog op voor Unicef, en WILLEM NIJHOLT. Allemaal grote sterren, die echter allemaal geïnspireerd werden door Toon, Wim Kan en Wim Sonneveld.

Het maken van die foto, niet zo lang voordat Wim Sonneveld op 8 maart 1974 aan een hartaanval stierf, was niet eenvoudig geweest. Sonneveld stond immers in CARRÉ en ik wilde dat de foto daar gemaakt zou worden. Maar sterren hebben altijd grote ego's. Toon zei: "Ik ontvang ze wel thuis." Wim Kan had er ook niet zoveel zin in en zei: "Laat ze maar naar mij komen in het theater."

Maar na tientallen telefoontjes was het eindelijk zover. Echter, op de avond dat de unieke fotosessie op het toneel van CARRÉ zou plaatshebben, liet WIM KAN het ineens afweten. Er was die avond een Europacupvoetbalwedstrijd op tv en Wim Kan, die toch al niet van autorijden hield, bleef thuis.

Maar ik gaf niet op. Een week later kon Wim Kan wel en kwam hij met Corry Vonk naar theater CARRÉ.

Het was zeven uur 's avonds. Een uur later zou het doek opgaan voor Wims show in een uitverkochte zaal.

We liepen naar het toneel. Het brandscherm en het gordijn gingen omhoog en voor het eerst poseerden de Grote Drie samen op het toneel van CARRÉ.

Velen hadden in het verleden al eens geprobeerd hen bij elkaar te brengen, maar dat was nooit gelukt. Lange tijd is er ook een conflict geweest tussen Wim Sonneveld en Toon Hermans. Wim had in een interview gezegd dat Toon een toch wel carnavaleske komiek was en dat wilde Hermans hem niet zomaar vergeven.

Toon nam het Sonneveld op zijn beurt kwalijk dat hij hem imiteerde door ook met een one-man-show te beginnen.

Ze bleven wel altijd belangstelling voor elkaar houden. Als ik bij Toon thuis was, vroeg hij me altijd honderduit over Sonneveld. En als ik bij Sonneveld koffie dronk in zijn Amsterdamse grachtenhuis wilde hij alles over Toon weten.

Maar de spanningen bleven. Eenmaal leidde dat tot een uitbarsting. Sonneveld wilde in Nijmegen, waar Toon die avond speelde, een musicus opzoeken die in die tijd bij Hermans speelde. De deur van Toons kleedkamer stond open en hij was zich aan het schminken. Toen hij op de gang de stem van Sonneveld hoorde, gooide hij met een enorme klap de deur keihard dicht.

Sonneveld maakte tenslotte een einde aan die ruzie door toen hij in Maastricht optrad, waar Toon toen in de sfeervolle Stokstraat woonde, hem uit te nodigen voor zijn voorstelling. Toon zei me toen: "Ik heb de show van Sonneveld gezien en ik heb genoten. Ik had Wim zeker in tien jaar niet zien optreden (zo waren de verhoudingen, ja) maar als je die man ziet, denk je: ja, die kent zijn vak. Dat heb ik hem ook na afloop gezegd en ik nodigde hem meteen uit mee naar mijn huis te gaan."

Later zou diezelfde Toon Sonneveld eren met een in memoriam-artikel voor mij. Enige tijd nadat de foto van de grote drie gemaakt werd stierf Wim Sonneveld aan een hartaanval in het Amsterdamse VU-ziekenhuis. Dat is nu 28 jaar geleden. Het was op het toneel van CARRÉ de laatste keer dat deze drie mannen elkaar samen zouden zien.

Ik koester die foto dan ook. Hij hing de afgelopen, bijna, 30 jaar in mijn werkkamer. Voorzichtig heb ik hem van de muur gehaald en nu mee naar huis genomen, waar ik hem een goede plaats zal geven. Maar eerst nog wil ik dat u hem te zien krijgt. Want Wim Kan, Toon Hermans en Wim Sonneveld, die nu alle drie overleden zijn, zullen miljoenen Nederlanders, net als mij, altijd blijven omringen.

Van Toon heb ik voor mijn huwelijk in 1987 een mooi schilderij gekregen, fleurige bloemen zijn het. Het hangt in mijn keuken. Niet zo maar, want Toon ontving zijn goede vrienden niet in zijn salon, maar in de keuken met koffie en vlaai.

De foto van de drie is voor mij natuurlijk ook heel emotioneel, want ik groeide met hen op in mijn vak en ik nam ook afscheid van hen.

Hartaanval

Van Wim Sonneveld was het wel het meest abrupte. Want de dag voor hij stierf, op 7 maart 1974, belde hij me vanuit het VU-ziekenhuis nog op. Hij was er tien dagen eerder opgenomen na een hartaanval. Ik had bijna elke dag na zijn opname contact gehouden met zijn vrienden Friso Wiegersma en Huub Janssen en hun gevraagd of ik Wim eens kon opzoeken. Maar hij mocht nog niet zoveel bezoek ontvangen. Een paar dagen voor zijn dood belde ik met Huub Janssen. "Het gaat nu veel beter met hem", zei deze. "Kan ik hem nu bezoeken?", vroeg ik. "Nee, dat zal niet mogelijk zijn", zei Huub.

"Kun je dan vragen of Wim me op de krant belt?" vroeg ik. "Ik ga vanmiddag naar hem toe", zei Huub, "ik zal het doorgeven."

AMSTERDAM - Met nog drie Privé Pagina's neem ik deze week afscheid van u. Dat doe ik met enige verhalen die ik nooit vergeten zal. Gebeurtenissen die grote indruk op mij maakten en die soms een bijzonder tijdsbeeld tonen. Vandaag het verhaal achter een van de meest unieke foto's die wij publiceerden in die 44 jaar. Een foto die niet zomaar vanzelf tot stand kwam, maar waar tientallen telefoontjes aan voorafgingen. Het was de exclusieve hereniging van WIM SONNEVELD, TOON HERMANS en WIM KAN.

"'Haal het doek maar op' zong WIM SONNEVELD in zijn laatste show in CARRÉ. Ik zie hem weer voor me. Een slanke, elegante man, vrolijk dansend in gekleurd licht en op blije muziek. In een goed gesneden pak met een tinteling in de blauwe ogen van verheugenis", aldus Toon Hermans, "om het werk dat hij mag doen. Ik hoor de stem van een persoonlijk timbre, dat zich soepel buigt in sterk gezongen zinnen. Dan eens teder en klein, dan weer droef, stil mijmerend. Ik zie een dolle fratsenmaker, die zich vermomt en clown speelt en de dwaas."

Het is een beeld dat me altijd bij zal blijven, ook nu het doek zakt voor mijn journalistieke carrière en ik nog drie dagen wil schrijven over enige onvergetelijke en emotionele momenten.

Deze korte serie open ik graag met een van de meeste bijzondere foto's die ik de afgelopen tientallen jaren op deze pagina afdrukte.

Tijdsbeeld

Het is meer dan een foto van 'de grote drie' samen: TOON, WIM KAN EN WIM SONNEVELD. Het is een tijdsbeeld geworden, een beeld waar je met weemoed naar kijkt, want daar zijn die mannen met zo'n stijl, persoonlijkheid, werkdrift, discipline en creativiteit, die elk publiek wisten te bereiken en veroveren.

Natuurlijk, heb je nu HERMAN VAN VEEN, KAREL DE ROOY en PETER DE JONG (Mini en Maxi), PAUL VAN VLIET, al treedt die alleen nog op voor Unicef, en WILLEM NIJHOLT. Allemaal grote sterren, die echter allemaal geïnspireerd werden door Toon, Wim Kan en Wim Sonneveld.

Het maken van die foto, niet zo lang voordat Wim Sonneveld op 8 maart 1974 aan een hartaanval stierf, was niet eenvoudig geweest. Sonneveld stond immers in CARRÉ en ik wilde dat de foto daar gemaakt zou worden. Maar sterren hebben altijd grote ego's. Toon zei: "Ik ontvang ze wel thuis." Wim Kan had er ook niet zoveel zin in en zei: "Laat ze maar naar mij komen in het theater."

Maar na tientallen telefoontjes was het eindelijk zover. Echter, op de avond dat de unieke fotosessie op het toneel van CARRÉ zou plaatshebben, liet WIM KAN het ineens afweten. Er was die avond een Europacupvoetbalwedstrijd op tv en Wim Kan, die toch al niet van autorijden hield, bleef thuis.

Maar ik gaf niet op. Een week later kon Wim Kan wel en kwam hij met Corry Vonk naar theater CARRÉ.

Het was zeven uur 's avonds. Een uur later zou het doek opgaan voor Wims show in een uitverkochte zaal.

We liepen naar het toneel. Het brandscherm en het gordijn gingen omhoog en voor het eerst poseerden de Grote Drie samen op het toneel van CARRÉ.

Velen hadden in het verleden al eens geprobeerd hen bij elkaar te brengen, maar dat was nooit gelukt. Lange tijd is er ook een conflict geweest tussen Wim Sonneveld en Toon Hermans. Wim had in een interview gezegd dat Toon een toch wel carnavaleske komiek was en dat wilde Hermans hem niet zomaar vergeven.

Toon nam het Sonneveld op zijn beurt kwalijk dat hij hem imiteerde door ook met een one-man-show te beginnen.

Ze bleven wel altijd belangstelling voor elkaar houden. Als ik bij Toon thuis was, vroeg hij me altijd honderduit over Sonneveld. En als ik bij Sonneveld koffie dronk in zijn Amsterdamse grachtenhuis wilde hij alles over Toon weten.

Maar de spanningen bleven. Eenmaal leidde dat tot een uitbarsting. Sonneveld wilde in Nijmegen, waar Toon die avond speelde, een musicus opzoeken die in die tijd bij Hermans speelde. De deur van Toons kleedkamer stond open en hij was zich aan het schminken. Toen hij op de gang de stem van Sonneveld hoorde, gooide hij met een enorme klap de deur keihard dicht.

Sonneveld maakte tenslotte een einde aan die ruzie door toen hij in Maastricht optrad, waar Toon toen in de sfeervolle Stokstraat woonde, hem uit te nodigen voor zijn voorstelling. Toon zei me toen: "Ik heb de show van Sonneveld gezien en ik heb genoten. Ik had Wim zeker in tien jaar niet zien optreden (zo waren de verhoudingen, ja) maar als je die man ziet, denk je: ja, die kent zijn vak. Dat heb ik hem ook na afloop gezegd en ik nodigde hem meteen uit mee naar mijn huis te gaan."

Later zou diezelfde Toon Sonneveld eren met een in memoriam-artikel voor mij. Enige tijd nadat de foto van de grote drie gemaakt werd stierf Wim Sonneveld aan een hartaanval in het Amsterdamse VU-ziekenhuis. Dat is nu 28 jaar geleden. Het was op het toneel van CARRÉ de laatste keer dat deze drie mannen elkaar samen zouden zien.

Ik koester die foto dan ook. Hij hing de afgelopen, bijna, 30 jaar in mijn werkkamer. Voorzichtig heb ik hem van de muur gehaald en nu mee naar huis genomen, waar ik hem een goede plaats zal geven. Maar eerst nog wil ik dat u hem te zien krijgt. Want Wim Kan, Toon Hermans en Wim Sonneveld, die nu alle drie overleden zijn, zullen miljoenen Nederlanders, net als mij, altijd blijven omringen.

Van Toon heb ik voor mijn huwelijk in 1987 een mooi schilderij gekregen, fleurige bloemen zijn het. Het hangt in mijn keuken. Niet zo maar, want Toon ontving zijn goede vrienden niet in zijn salon, maar in de keuken met koffie en vlaai.

De foto van de drie is voor mij natuurlijk ook heel emotioneel, want ik groeide met hen op in mijn vak en ik nam ook afscheid van hen.

Hartaanval

Van Wim Sonneveld was het wel het meest abrupte. Want de dag voor hij stierf, op 7 maart 1974, belde hij me vanuit het VU-ziekenhuis nog op. Hij was er tien dagen eerder opgenomen na een hartaanval. Ik had bijna elke dag na zijn opname contact gehouden met zijn vrienden Friso Wiegersma en Huub Janssen en hun gevraagd of ik Wim eens kon opzoeken. Maar hij mocht nog niet zoveel bezoek ontvangen. Een paar dagen voor zijn dood belde ik met Huub Janssen. "Het gaat nu veel beter met hem", zei deze. "Kan ik hem nu bezoeken?", vroeg ik. "Nee, dat zal niet mogelijk zijn", zei Huub.

"Kun je dan vragen of Wim me op de krant belt?" vroeg ik. "Ik ga vanmiddag naar hem toe", zei Huub, "ik zal het doorgeven."

Die middag ging de telefoon op de krant. Het was Wim Sonneveld. "Dag Henk", zei hij. "Ik moet je toch even bellen." Ik was natuurlijk blij. Een primeur. Wat een verhaal.

Op 8 maart verscheen ons gesprek op mijn pagina Privé in De Telegraaf. Er stond boven 'Het eerste exclusieve interview met Wim Sonneveld na zijn hartaanval.' En de kop luidde: 'Als je zo dicht bij de dood bent geweest, ga je je leven wel veranderen.'

Sonneveld zei in dit gesprek onder meer: "Ik ben nog nooit zo dicht bij de dood geweest als die dag, nu een paar weken geleden. En dat heeft enorme invloed op je. Ik ga mijn levensstijl nu toch veranderen. Ik heb gemerkt, dat ik tot nu toe alles gedaan heb voor mijn werk, mijn populariteit en mijn carrière. Ik jaagde mezelf maar achterna; dan moest ik dit, dan moest ik dat. Ik was altijd bezig en ontspannen kon ik me niet. Ontspannen was voor mij toch iets ondernemen. Ik zal nu moeten leren dat elke seconde van het leven er één is. Ik zal moeten leren leven."

En hij vervolgde: "Het is mooi carrière te maken en populair te zijn, maar zoals de dokter het me zegt: 'Je bent wel je hart vergeten'. Dit werk brengt vanzelfsprekend spanningen met zich mee. Zonder die spanningen kun je geen carrière opbouwen. En daarbij heb ik nooit de tijd en zelfs de rust gekend om aan mijn eigen gezondheid te denken. Ik heb gewoon veel te veel willen doen in mijn leven. Ik heb nooit echt afstand kunnen nemen. Hoe vreemd het ook klinkt. Eigenlijk ben ik blij, dat ik nu deze inzinking heb gehad. Het is een keiharde waarschuwing voor me: een teken dat ik te veel van mezelf heb gevraagd en dat het nu tijd wordt aan mijzelf te denken."

Het zijn woorden die, nu 28 jaar later, mensen die alleen bezig zijn met de succesrace wakker kunnen schudden. Wim houdt er ook vandaag de dag nog velen van ons een spiegel mee voor!

Die ochtend van de achtste maart prijkte dat interview paginagroot in De Telegraaf.

Om halftien die ochtend ging de telefoon bij mij op de krant. Een vrouw huilde en zei snikkend: "Hij is dood, Wim is dood." Meer kon ze niet zeggen. Ze hing op. Zeker een hysterisch mens dacht ik. Het ging toch goed met Wim? Toch belde ik meteen mijn manager John de Crane. "Iemand belt dat Wim dood is", zei ik. "Onzin zei hij, je schrijft toch zelf dat het zo goed met hem gaat." "Ja", zei ik.

Voor alle zekerheid belde ik toch nog met Wims vriend Huub Janssen. "Wim is zojuist gestorven", zei hij. Ik kon geen woord meer uitbrengen, werd duizelig en bleek. De chef-nieuwsdienst, Hans van der Kolk, zag dat ik ven streek was. "Hij is dood, Sonneveld", zei ik. "Loop even naar buiten", zei hij, "je ziet zo wit". Ik schudde het hoofd. "Oké", zei hij, "Maak dan meteen een nieuw verhaal voor de middageditie, maar ik moet het wel binnen een uur hebben."

Nu jaren later valt het me op hoe moe Sonneveld er op deze foto, die voor zijn show begon werd gemaakt, er toen uitzag.

Het is voor zijn goede vrienden ook een raadsel hoe hij die laatste show met Willem Nijholt en Corrie van Gorp nog heeft kunnen maken.

Als hij na een dansnummer het toneel af kwam was hij doodmoe en stond hij tussen de coulissen te hijgen, omdat hij bijna geen lucht meer kreeg. Dan straalden de ogen in het geschminkte gezicht nog maar weinig leven uit

Dat was me al opgevallen toen ik hem na afloop van de voorstelling de krant kwam brengen met daarin de foto die u nu op deze pagina ziet. Hij zag er niet alleen doodmoe, maar ook slecht uit. Hij zei me toen heel vertrouwelijk: "Henk, niemand ziet het aan me, maar ik ben echt een en al zenuwen. De angst om tekort te schieten en van je voetstuk te kunnen lazeren, benauwt me steeds meer. Dan krijg ik voor de show ineens een soort verlammende angst dat toneel op te gaan. Het is me de laatste tijd wel eens overkomen dat ik de kleedkamers langs liep en zei: 'Mensen ik heb zo'n druk op mijn borst, het lijkt wel of ik doodga, ik kan niet optreden'. En bij de vierde kleedkamerdeur zei ik dan: 'Nou en. Zal ik straks doodvallen. Beter daar op dat toneel, dan alleen in je kleedkamer of ergens langs de gracht."

Hij wilde alleen nog maar rust.

Toch wilde hij per se een eigen speelfilm maken, Op de Hollandse toer. Het was van hem een poging om na die vermoeiende one-man-shows te trachten een nieuwe carrière op te bouwen. Eenmaal per jaar een film maken leek hem wel iets. Dan kon hij het verder rustig aan doen.

Ruim drie maanden voor zijn dood - op 7 december 1973 - had ik met hem nog een gesprek over zijn film die toen zou uitkomen. "Ik hoop echt dat de film een succes wordt", zei Wim.

Twee weken later kwam de ontgoocheling. De film werd gekraakt. Natuurlijk ben ik voor persvrijheid, maar wat men Sonneveld toen heeft aangedaan, ging te ver. Men veroordeelde hem op een film, men hield totaal geen rekening met de persoonlijkheid van de man die miljoenen Nederlanders jarenlang topamusement had gegeven. Elk greintje respect ontbrak. Men leek er genoegen in te scheppen Sonneveld zo te 'killen'.

Flop

Ik kreeg in die periode nog een briefje van hem.

"Beste Henk,

Ik lees dat mijn film een flop is. Maar hij loopt toch al een week of vijf in twee theaters. En ik hoor dat het publiek zich amuseert. Waarom moet men mij toch zo aanvallen? Ik begrijp niet waarom je in Nederland onmiddellijk gestraft wordt als je, zoals ik, gewoon pretentieloos amusement zonder soesa wilt brengen. Is dat iets dat niet meer mag? Dat wilde ik toch even zeggen."

Toon Hermans vatte het in de dagen na Wims dood kort en krachtig samen: "Die slechte kritieken hebben Wim vermoord." "De film was afgeslacht. De schrik sloeg me om het hart. Ik wist hoe overgevoelig Wim was en hoe hard zoiets kan aankomen. Ik schreef hem onmiddellijk: 'Wim, vergeet die film en vergeet alles wat ze ervan zeggen, laat het hele gebeuren als een glas uit je handen vallen, zie niet om naar de scherven, en koop een ander glas. Je hebt zoveel moois gedaan en zoveel succes gehad'."

Maar het kwaad was al geschied. Hermans herhaalde: "Die kritieken hebben hem kapotgemaakt!"


Het Peugeootje van Margootje

HENK VAN GELDER In het morsige bedje ligt een man met een kater en een rossig ringbaardje. Dat moet dus een kunstenaar zijn.

Moeizaam richt hij zich op en kijkt om zich heen naar de sporen van het feest van de vorige avond: overal slingers, serpentines
en een afwas om depressief van te worden. In zijn kamerjas loopt hij naar het aanrecht om halfhartig aan de vaat te beginnen.
Maar al snel geeft hij het op. Dan gaat hem echter een licht op. Hij grijpt in de klei op zijn draaischijf en boetseert vliegensvlug
een cartooneske eend, die prompt tot leven komt. En pling! - daar is ook een pak Pril. Nu verdwijnt de vaat als sneeuw voor
de zon. Zelfs de theedoek die onze kunstenaar nog vragend ophoudt, is niet meer nodig. ,,Pril entspannt'', zegt een stem buiten
beeld.

Het reclamefilmpje dateert uit 1953 en werd volgens de titelrol vervaardigd door de Dollywood-studio van producent Joop Geesink. Het was bestemd voor de Duitse markt en werd in Nederland nooit eerder in het openbaar vertoond. Pas komende zondag is het hier voor het eerst te zien, in het Tuschinski-theater in Amsterdam, als toegift bij de hervertoning van de film Het wonderlijke leven van Willem Parel (1955) naar aanleiding van de 25ste sterfdag van Wim Sonneveld.

Die anonieme man op het artistieke zolderkamertje, die geen woord zegt maar wel alle bijbehorende gelaatsuitdrukkingen ten beste geeft, is Wim Sonneveld. Hij is niet om zijn bekendheid gekozen, want in Duitsland wist natuurlijk niemand wie hij was. Geesink had hem gewoon ingehuurd als model. Eén dagje studio, zo te zien, dat ongetwijfeld behoorlijk werd betaald. Sonneveld was destijds een cabaretier voor een beperkt publiek, die wel een extra centje kon gebruiken.

,,Ik heb in mijn carrière af en toe reclame gemaakt'', schreef hij in 1973 in een onlangs door het maandblad Onze Taal gepubliceerde brief aan de fabrikant van Luxaflex, ,,en het zal u misschien verwonderen dat ik daar bedragen van 50.000 tot 200.000 gulden voor heb ontvangen.''
Maar ook voor kleinere bedragen haalde Sonneveld zijn neus niet op. Al in de jaren vijftig verwerkte hij tegen betaling reclame in zijn cabaretprogramma's (onder meer voor Sola-bestek) en in de jaren zestig was het geen toeval dat hij Margootje in het gelijknamige liedje 'in zó'n klein Peugeootje' liet rijden. Sonneveld was in die tijd trouwens niet de enige; ook zijn collega Wim Kan verwerkte desgewenst graag enige sluikreclame in zijn voorstellingen.
Rudi Carrell schreef in zijn memoires dat twee heren van een reclamebureau hem in 1963 tijdens een etentje in hotel Americain in Amsterdam vroegen om te poseren in een advertentie voor Vokol-overhemden. Naar zijn zeggen reageerde Carrell verontwaardigd op dit verzoek: ,,Ik heb nog nooit reclame gemaakt en zal er ook nooit aan beginnen.'' Zelfs de tegenwerping dat Wim Sonneveld ook al voor Vokol had geposeerd, wist de showman niet te vermurwen. Tot één van de twee heren opmerkte dat er 50.000 gulden voor kon worden betaald. ,,Akkoord,'' zei Carrell toen.

Eén keer kreeg Sonneveld echter met het omgekeerde te maken. In een nummer over een huwelijkse twist had hij het woord 'luxaflex' gebruikt als soortnaam. De fabrikant protesteerde. Verbaasd schreef de cabaretier terug dat 'luxaflex' een ingeburgerd woord was geworden en verwees naar 'de hele moderne wereld van deze mensen'. Daar kon Luxaflex toch geen bezwaar tegen hebben? ,,Of het moest zijn dat de firmanten vinden dat er zich achter hun Luxaflex geen huwelijksdramaatje mag afspelen. Er zullen wel ergere en ook spannendere dingen gedaan worden achter een Luxaflex.'' De geschiedenis vermeldt niet of zijn brief nog werd beantwoord.

  


Uit "Mies en Scene" (1966) Vraaggesprek.

Mies: "Wat hing er vroeger boven je bed?"

Wim: "O, dat is een leuke vraag. Vroeger Mies, je weet ik ben de zoon van een kruidenier en mijn vader was ook timmerman, en die had voor mij een bedstee getimmerd. Voor mijn broer en mij. M'n broertje.......waar lach je om?

Mies: "Eh...nee...verwarring in de zaal....."

Wim: "O, goed. Ik sliep op zolder onder een schuin dak en daar had m'n vader een bedstee van gemaakt, heel leuk, en in die bedstee daar hing een gedichtje van de geneeskundige dienst, want in de tijd dat ik op de lagere school was, moesten wij nog naar eh......moesten wij nog met de netenkam bewerkt worden.....Het spijt me, maar zo is het. Daar hing een gedichtje en dat ging zo:

's Avonds voor ik slapen ga
Moet ik voor mijn bed gaan staan
Langs m'n neus m'n vinger leggen
En dan tot mijzelve zeggen:
Jongen, jongen, opgepast
Slaap vannacht niet al te vast
Wordt wakker als je wateren moet
Spring uit bed met grote spoed
Het laken blijft dan helder rein
Mama zal tevreden zijn."
.....applaus........

 

 

 

Terug naar Wim Sonneveld en Friso Wiegersma