Nikkelen Nelis (Friso Wiegersma 1963)

 

(of het lied van de losbandigheid)




Kom luister naar het lied dat ik voor u ga zingen Het is een tragisch lied over losbandigheid Het gaat over een dame uit de hoogste kringen De neiging tot het kwaad die kon zij niet bedwingen Zo raakte zij haar eer en reputatie kwijt Zij kon het lonken niet laten Zij lonkte naar iedere man Dat liep veel te veel in de gaten En o, o ,o ,o, o daar kwam narigheid van Haar man had eerst geen aandacht aan haar kwaal geschonken Want och, hij dacht, zij heeft een vuiltje in haar oog Maar toen zij na een tijdje zo diep was gezonken Dat z' in de kerk nog naar de preekstoel zat te lonken Toen kwam het ogenblik dat zij de laan uit vloog Zij kon het lonken niet laten Zij lonkte naar iedere man Dat liep veel te veel in de gaten En o, o ,o ,o, o daar kwam narigheid van Zij werd danseres in één der minste kroegen Drie veren droeg zij slechts en soms geeneens geen drie Soms droeg zij slechts één veer en als de klanten het vroegen Dan viel de laatste veer tot algemeen genoegen En bloot lonkte zij door met dubbele energie Zij kon het lonken niet laten Zij lonkte naar iedere man Dat liep veel te veel in de gaten En o, o ,o ,o, o daar kwam narigheid van Maar ach zij werd te oud, ze kon geen man meer strikken En zij werd werkster in het ouwe-mannenhuis En onder 't dweilen door wierp zij nog wulpse blikken Zij maakte met haar lonken de ouwetjes aan 't schrikken En op een dag zat zij er eentje na door 't huis Haar emmertje met schuimend sop, dat zag zij heel niet staan Zij struikelde en brak haar nek, het was met haar gedaan Zij kon het lonken niet laten Zij lonkte naar iedere man Dat liep veel te veel in de gaten Daar komt, ja, ja, o....

Homepage Wim Sonneveld

Meer teksten