Biografie van Hendrik WIEGERSMA (2)

 


Vorige bladzijde

In 1925 werd het tijdschrift De Gemeenschap opgericht door vrienden, die Henk nog kende uit zijn studententijd, Jan Engelman, Albert Helman en Kuyle. Ze vroegen of Henk af een toe een illustratie wilde bijdragen in het blad, hetgeen hij graag deed. Ook Hendrik Marsman, Adriaan Roland Holst en Martinus Nijhoff kwamen zo in de kennissenkring.

Ook raakte hij steeds meer geïnteresseerd in de schilderkunst op zich. Nu was dat niet een geheel onbekende wereld voor hem, zijn jongere broer Jaap was antiquair in Utrecht geworden en daarmee had hij geregeld contact. Maar nu werd hij actiever, hij begon schilderijen van Van Rees te kopen en liet Nel door hem portretteren. Het huis hing op een gegeven moment helemaal vol met schilderijen, geen enkele plek bleef onbedekt. Hij onderhield contacten met de andere schilders en kreeg brieven van hen, vaak waren dat verkapte bedelbrieven want ook in die tijd hadden de meeste kunstenaars het niet breed. Dan kregen ze weer twee vijftig om wat verf te kopen.

Zelfportret van De Wieger

Er kwamen al snel tentoonstellingen, in 1925 in Den Haag en in 1928 een eenmanstentoonstelling in het Stedelijk Museum te Amsterdam. In 1931 stond hij in Brussel en een jaar later deed hij mee aan de Biënnale te Venetië, hetgeen hij in 1936 herhaalde.

Dit waren op het persoonlijke vlak overigens ook turbulente jaren in Henks leven, hoewel Friso daar als kind weinig van merkte.
Henk kreeg namelijk een verhouding met Jeanne Moulart-Nijs, van wie hij in 1930 een portret maakte. In oktober 1932 is hij met haar en Aldous Huxley op Sanary.
In datzelfde jaar sloeg hij in zijn open wagen over de kop op de weg tussen Deurne en Liessel. Dit bericht kwam zelfs in de Haagsche Courant en in Het Vaderland te staan.
En tot slot kreeg hij grote ruzie met Joep Nicolas, die ervan beschuldigd werd dat hij een verhouding met Nel Wiegersma wilde. De ruzie liep zo hoog op dat Henk dreigde Joep neer te schieten, waarna Nicolas zelfs de stad uitvlucht.
Na deze hectische tijd werd Henk echter rustig en werd de band met Nel hechter dan ooit.

Op 14 oktober 1925 werd Friso geboren, de vierde zoon in het gezin. Toen Nel op 25 november met haar baby naar Nijmegen afreisde, om daar de vijf weken oude baby te tonen, bracht Henk die twee weken vooral schilderend door. Onderwijl bezocht hij vaak het Klein Kasteel om andere kunstenaars te ontmoeten zoals Joep Nicolas de Limburgse glazenier. Henk verzocht hem het nieuwe huis van acht glas-in-lood ramen te voorzien, hetgeen in 1926 gereed kwam. Deze brandgeschilderde ramen sneuvelden overigens vier jaar later bij de grote ruzie met Nicolas.
In datzelfde jaar toog het echtpaar ook naar Parijs om Zadkine te bezoeken en daar kocht hij een beeldhouwwerk voor het huis. In 1927 werd zoon Sjoerd geboren en in datzelfde jaar vertrok Van Rees naar Antwerpen en nam Henk het gastheerschap van Deurne op zich. Vanaf dat moment hadden het gezin geregeld kunstenaars over de vloer, die soms wekenlang bleven logeren. Er gaat een verhaal dat enkele beroemde logés, Permeke, Wiegman en Zadkine in het voorjaar kleine tekeningen kerfden in de kalebassen in de boomgaard. Naarmate de vruchten groeiden, groeiden de tekeningen mee.

Toch waren dat de meer gezellige tijden in De Wieger, want op normale dagen was Henk enkel bezig met de praktijk of met de kunst. Na het spreekuur, dat heel inspannend was en tot zes uur duurde, ging hij een half uur liggen op de divan in de bibliotheek. De kinderen moesten dan heel stil zijn hetgeen moeilijk was voor opgroeiende knapen, dus gewoonlijk werden ze de tuin ingestuurd.
Ook de maaltijd kon niet echt gezellig genoemd worden. Als Henk praatte, dienden de kinderen, vooral toen ze jong waren, te zwijgen en te luisteren, zeker als er bezoek was, hetgeen steeds veelvuldiger voorkwam. De moeilijke woorden vlogen over tafel, maar uitleg werd er niet gegeven. Vader verwachtte van hen dat ze het woord gingen opzoeken. Zelfredzaamheid stond hoog in het vaandel.
Later werd dat minder streng. Friso herinnert zich vooral dat zijn ouders ervan hielden om grote diners te geven bij gelegenheden. Het werd dan ook geregeld laat in De Wieger, ook voor de kinderen.
"Dertig man aan tafel bij kerst en verjaardagen. Dat kon toen ook meer. Bij de gratie van personeel. Kinderen die stijf tussen de volwassenen zaten? Nee, iedereen praatte door elkaar. Over kunst of politiek, De inval van Italië in Abessinie of de Spaanse burgeroorlog. Er werd vreselijk gegild en geschreeuwd. Het was een vreselijk ongeorganiseerde rotzooi, iedereen liep rond. We praatten altijd door elkaar. Dat heb ik nu nog, met Conny Stuart, we vertellen elkaar tegelijk ons eigen verhaal, dat spaart tijd.
Het had ook iets feestelijks. Mijn vader had een goede wijnkelder en wij kregen als kinderen bier te drinken. Na de maaltijd hing er een geur van goede Havana. Het was eigenlijk Frans. Mijn late leven is toen al begonnen, hetgeen in de toneelwereld later natuurlijk versterkt is."

Om acht uur ging vader naar zijn studeerkamer, die naast de apotheek annex behandelkamer was, om te schilderen, te studeren en te schrijven tot in de late uurtjes. Daar mocht de kinderen ook nooit naar binnen zonder te kloppen, ze zouden de inspiratie anders verstoren. Maar hij was wel plichtsgetrouw want stipt op tijd ging de praktijk om acht uur 's morgens weer open. Dat hield hij jaren vol zonder enige klachten, hij was ijzersterk.

Friso zag zijn vader dus weinig, hij ontliep de man die zo opvliegend was ook enigszins. Maar op een dag ontdekte hij, ongeveer dertien jaar oud, dat zijn vader ook heel anders kon zijn. De zonen gingen wel eens stiekem naar de zolder boven het lage gedeelte van het huis, waar vader zijn praktijk had. Op die zogenaamde kleine zolder mochten ze helemaal niet komen, omdat daar de apotheekvoorraden lagen en omdat je kon horen wat er beneden gezegd werd. En zo kwam hij tot zijn verbazing te weten dat zijn vader heel aardig was voor de mensen, zo belangstellend, zo hartelijk en zo zachtzinnig, en toch met een groot overwicht. Friso was er aangedaan door, want zo kende hij zijn vader niet. Niet dat deze een boeman was, maar moeder was duidelijk een verzachtende invloed. En bovendien was vader ook weinig thuis, maar dat nam Friso hem niet kwalijk.
Friso: "Hij was moeilijk, niet onaardig hoor, maar moeilijk. Ik had meer kindercontact met mijn moeder. Mijn vader was altijd druk, was altijd bezig. Dat komt natuurlijk veel voor. Een vader die in de zakenwereld zat zal dat ook hebben."
Of zoals Pieter het uitdrukte: "Als vader was hij natuurlijk ook 'hors série' (van een bijzonder model)".

Zeker in die tijd was het niet vreemd dat kinderen meer contact hadden met hun moeder. Daarin waren de kinderen Wiegersma geen uitzondering. Niet daarin.

Moeder Nel had het echter ook druk met het grote huis, ze moest veel regelen en ook nog sprankelend converseren aan tafel. Bovendien moest ze ook nog een weerwoord hebben tegenover haar man, maar dat lukte haar wel. Ze was een stevige vrouw, die niet ondergesneeuwd werd. Het was wel een hectisch leven dat haar later deed verzuchten: "Ik geloof toch dat ik in mijn leven net iets té veel thee heb geschonken." (Hetgeen meteen duidelijk aangeeft van wie Friso zijn gevoel voor understatements overnam...)
Gelukkig had ze hulp, naast keukenhulpen, waaronder de oude Drieka, was er een tuinman en voor de kinderen een kinderjuf. Ze was de dochter van een sergeant-majoor, maar volgens Pieter was ze meer sergeant dan juf. Tot slot was er een protestante chauffeur Sip Rijken. Iedereen in Deurne wist ook dat hij protestants was, alsof het weer een poging van Henk was om uit de toon te vallen.

Daarvoor had Henk een andere opvallende chauffeur gehad, Huub van Doorne. Hij was de zoon van de hoefsmid die alle paarden in de omgeving van Deurne besloeg. Toen deze man stierf, nam Huub het zaakje over, hij was nog jong maar maakte er een bloeiend bedrijf van. Als chauffeur had hij echter in mooie auto's gereden en dat smaakte naar meer. Daarom verlegde hij zijn aandacht naar de motorische industrie en zo werd hij uiteindelijk de eigenaar van Doorne's Automobielen Fabriek. Maar toen had Henk uiteraard al lang een andere chauffeur.

Een enkele keer hadden de kinderen een uitje. Zo herinnert Pieter zich dat hij met keukenmaagd Drieka, het tweede meisje en de chauffeur op reis ging met de stoomtram, rood en donkergroen gekleurd met veel goudgeel gepoetst koper. Prachtig vond hij dat. Vanuit Deurne reed de trein via Vreek, Liessel en Neerkant richting Roermond. De prachtige nog Victoriaanse wagons waren van hout met gietijzeren achterbalkons waarvan je een prachtig uitzicht had. De conducteur met een donkerblauwe, halflange jas, die net als zijn pet met lakklep afgebiesd was met rood knipte een rond gaatje in het blauwe kaartje. In Vreekwijk, twee kilometer van Deurne, zwaaiden mensen vanuit hun tuin met zakdoeken.

Vervolg

Terug naar Wim Sonneveld en Friso Wiegersma